Yves Beaumont. Painter.

Contemporary painting is doing very well. When it was pronounced dead due to the storm of conceptualism in the seventies and eighties, the paint, brush and canvas that had been handled for centuries seemed to be on the way to their demise. But we know the rest of the story: the genius of Gerhard Richter, the conceptual approach of Luc Tuymans, as well as a number of other factors, put painting back at the centre of attention. Characteristic for this new generation of painters was their change in attitude: they no longer (only) focused on the tension between lines, colours and fields, between figuration and abstraction, between signs and meanings; they were specifically concerned with the reinterpretation of existing images. These images they got from photographs, videos, clippings, documents and other media to which they added, in a flash of inspiration, the aspect of ‘concept’. They stopped creating individual pieces of art. Instead they painted series, ideas, strands of thought.

Since then, contemporary painting has fragmented and scattered itself in a multitude of directions. The British art dealer and collector Charles Saatchi launched ‘The New Painting’, phenomena such as the Leipziger Schüle (Neo Rauch, Matthias Weischer and others) emerged and painters such as Johannes Kahrs, Thomas Scheibitz, Wilhelm Sasnal, Jenny Saville, Jonathan Meese, Dan Walsh and many others stormed the international scene, each in their own way. Belgium did not stay behind. A young generation of painters developed their very own thoughts about painting that centered (and still centers) around the idea: where will you take this medium? What do you do with the big picture? Are aesthetics making their return? At this moment the country is full of young, interesting painters who all approach their art, which has apparently refused to die a silent death, in a very individual manner. In this line of contemporary Belgian artists there is nevertheless a number of painters who, while gladly picking up the achievements of the new way of painting, cannot and will not let go of what the past has given them. Much of this can be brought back to the tradition and evolution of landscape painting: since the ‘Mont Ste Victoire’-versions of Paul Cézanne and ‘Impression: soleil levant’ of Claude Monet, but also since the work of Constable and Turner, ‘the landscape’ in modern art has become a captivating quest, with the radical abstraction of Mondriaan, the perspectives of Spilliaert, the earthiness of the Latem School and the contemporary work of Per Kirkeby and the aforementioned Gerhard Richter.

One of those contemporary Belgian painters at the centre of this quest is Yves Beaumont (Oostende, º1970). Landscapes take a central place in his paintings. He knows and admires the great masters, but has gradually developed his own pictorial language, which, in essence, is “to translate”. Beaumont does not just translate the real picture of a landscape, as he sees it, to some proper aesthetical interpretation, but uses what he calls a “pictorial logic”: a logic that feels the character of the canvas surface and of the skin of paint, touches and kneads the paint and offers the subject to the viewer in an entirely new form. Thus the painting (or drawing) becomes detached from the actual subject, and therefore independent. Actually Beaumont does what is essential to the art of painting, as opposed to most other forms of visual art: by applying paint and pigment to the canvas he is creating, with hand and spirit, a completely new image. Typical for his work is that he does this figuratively one time, abstractly another – after all, working with a new image is, always, working with artistic freedom. And for Yves Beaumont this freedom is very specific: he looks for innovation in the pictorial language, while respecting the “old” art of painting.

His oeuvre shows a number of ‘milestones’. Take, for example, the series ‘De Nachtdragers’ or ‘La nit eterna’: ‘black’ paintings that were created around the idea of nocturnal landscapes. ‘Darkness’ takes a central place here: not the pure black (a colour he doesn’t even use), but the play of minimal light and and maximal darkness, the usage of colour, light and paint ensures that the artist is no longer occupied with a landscape, but with a thorough artistic research into form and balance. In his lighter works Beaumont applies several layers and mixes several hues, always looking for the ideal light, which covers his paintings like a veil. The same can be seen in other series, such as the Iberic and Ardennes landscapes. In the former the sun seems not to appear on, but behind the canvas. In the latter a haze of shadow and darkness predominates. Whether Beaumont is painting a landscape, a forest, a tree or a branch, the figurative element continues to exist, more or less, but unmistakably withdraws itself to make way for all possible forms of light.

In the ‘Waterlines’ series this is taken to the extreme: here one can see the reflections of vegetative forms on the water, the rippling effect of horizontal lines. Yves Beaumont creates imaginations, pregnant with the product of six centuries of painting, but at the same time so concentrated and distilled that they carry a remarkably strong personal signature; the master’s hand leading the viewer’s gaze to where he wants it: to the world, in a certain place, on a certain day, at a certain hour, with a certain incidence of light and a certain atmosphere. The world of light, the light of the world.

Marc Ruyters


Het gaat uitstekend met de hedendaagse schilderkunst. Toen de ‘art of painting’ in de jaren zeventig en begin tachtig van de twintigste eeuw, dankzij het conceptuele geweld, werd doodverklaard, leek het toen al vijf à zes eeuwen oude omgaan met verf, borstel en doek definitief ten dode opgeschreven. Maar het verhaal is bekend: het genie van Gerhard Richter, de conceptuele aanpak van Luc Tuymans, en nog een aantal andere factoren, plaatsten de schilderkunst opnieuw in de belangstelling.

Essentieel bij de nieuwe generatie schilders was de veranderde attitude: het ging niet (enkel) meer om de spanning tussen lijnen, kleuren en vlakken, tussen figuratie en abstractie, tussen teken en betekenis en dies meer: de nieuwe schilders gingen vooral om met de herinterpretatie van bestaande beelden. Die beelden haalden ze van foto’s, video, knipsels, documenten en andere bestaande dragers waar, in een vlaag van inspiratie, het aspect ‘concept’ werd aan toegevoegd: men schilderde geen individuele doeken meer an sich, men schilderde een reeks, een opvatting, een gedachtegang.

Sindsdien verspreidde en versplinterde het hedendaagse schilderen zich in duizend richtingen. De Britse kunsthandelaar en -verzamelaar Charles Saatchi lanceerde ‘The New Painting’, fenomenen als de Leipziger Schüle (Neo Rauch, Matthias Weischer e.a.) doken op, schilders als Johannes Kahrs, Thomas Scheibitz, Wilhelm Sasnal, Jenny Saville, Jonathan Meese, Dan Walsh en vele anderen bestormden de internationale scène, elk op hun eigen manier. België bleef niet achter. Een jonge generatie schilders ontwikkelde een heel eigen schilderkunstig denken, dat toch draaide (en nog steeds draait) om het idee: wat doe je vandaag met dit medium? Hoe ga je om met de grote verhalen? Mag er opnieuw sprake zijn van een zekere esthetiek? Intussen bulkt dit land van jonge, interessante schilders die elk op een sterk individuele manier  omgaan met dit blijkbaar niet uit te roeien medium.Bij die hedendaagse Belgische schilders zijn er toch een aantal die de verworvenheden van het nieuwe schilderen graag oppikken, maar de erfenis van het verleden niet kunnen en willen loslaten. Veel heeft te maken met de traditie en de evolutie van de landschapsschilderkunst: sinds de ‘Mont Ste.Victoire’-versies van Paul Cézanne en ‘Impression: soleil levant’ van Claude Monet, maar ook sinds het werk van Constable en Turner, is ‘het landschap’ in de moderne schilderkunst een boeiende queeste geworden, met de radicale abstrahering van Mondriaan, de perspectieven van Spilliaert, de aardsheid van de Latemse School, tot en met het hedendaagse werk van Per Kirkeby en de al genoemde Gerhard Richter.

Eén van die hedendaagse Belgische schilders, met de voeten middenin de queeste, is Yves Beaumont (Oostende, º1970). Het landschapsgegeven is in zijn schilderen essentieel. Hij kent en bewondert de grote meesters, maar ontwikkelde gaandeweg zijn eigen picturale taal. En die komt vooral neer op: ‘vertalen’. Beaumont vertaalt het reële landschapsbeeld, zoals hij het ziet, niet zomaar naar een eigen esthetische interpretatie, maar hanteert wat hij noemt een ‘picturale logica’: een logica die het karakter van het oppervlak van het doek en van de verfhuid bevoelt, de materie van de verf betast en kneedt en het onderwerp in een geheel nieuwe vorm aan de kijker aanbiedt. Daarbij wordt het schilderij (of de tekening) losgemaakt van het eigenlijke onderwerp, het gaat op zichzelf staan. Eigenlijk doet Beaumont wat essentieel is aan de schilderkunst, in tegenstelling tot de meeste andere vormen van beeldende kunst: hij creëert met de hand en de geest, door het aanbrengen van verf en pigment op doek, een totaal nieuw beeld. Typisch in zijn oeuvre is dat hij daar de ene keer een meer figuratief, de andere keer een meer abstraherend karakter aan geeft. Het omgaan met het nieuwe beeld is immers een omgaan met de vrijheid waarover de schilder, telkens opnieuw, beschikt. En die vrijheid is voor Yves Beaumont heel specifiek: bij hem gaat het om een zoeken naar vernieuwing in de beeldtaal, met respect voor het ‘oude’ medium schilderkunst

In zijn oeuvre kan je een aantal ‘milestones’ duiden. Een serie als ‘De Nachtdragers’ of ‘La nit eterna’ bijvoorbeeld: ‘zwarte’ schilderijen die ontstonden rond het idee van nachtelijke landschappen. ‘Donkerte’ staat hier centraal: niet het pure zwart (die kleur gebruikt hij overigens niet), maar het spel van minimaal licht en maximaal donker, het omgaan met kleur, licht en verf zorgt ervoor dat de schilder niet meer met een landschap bezig is, maar met een doorgedreven schilderkunstig onderzoek naar vorm en evenwicht. Ook in de lichtere werken brengt Beaumont diverse lagen aan, mengt hij verschillende tinten, telkens op zoek naar het ideale licht, dat als een sluier over de doeken valt. Gelijkaardige dingen kan je zeggen over andere series, zoals de Iberische en de Ardense landschappen. Bij de eerste lijkt de zon niet op, maar achter het doek te schijnen. Bij de tweede overheerst een waas van schaduw en donkerte. Of Beaumont nu een landschap, een bos, een boom of een tak schildert: het figuratieve element blijft min of meer bestaan, maar trekt zich onmiskenbaar terug om plaats te maken voor alle mogelijke vormen van licht. In de reeks ‘Waterlines’ wordt dat ten top gevoerd: hier ze je reflecties op het water, de weerspiegeling van vegetatieve elementen, het golvende effect van de horizontale lijnen.

Yves Beaumont creëert verbeeldingen, zwanger van wat zes eeuwen schilderkunst allemaal al heeft opgeleverd, maar tegelijk zo geconcentreerd en uitgepuurd dat ze een opvallend sterk persoonlijke signatuur dragen, de hand van de meester die de blik van de kijker leidt naar waar hij hem wil hebben: naar de wereld, op een bepaalde plek, een bepaalde dag, een bepaald uur, met een bepaalde lichtinval en een bepaalde sfeer. De wereld van het licht, het licht van de wereld.

Marc Ruyters


Facebook
@